LOB-week Opdracht

1. LOB-week-weekplanner

Voor de LOB-week maak je zelf een planning. Minstens drie van de vier dagen moet je vullen met een stage, een excursie, en eventueel een derde activiteit. In de laatste dag werk je, op school, aan je eindverslag (zie hieronder) Je hebt tijdens de LOB-week verder geen les.

  • Download de LOB-week-weekplanner.

  • Vul de weekplanner in.

  • Copy en paste de weekplanner naar jouw persoonlijke pagina in OneNote.

  • Zorg ervoor dat het er vóór maandag 13 juni in staat.

2. Eindverslag

Van elke activiteit die je gedaan hebt, schrijf je een verslagje. Dat lever je op de laatste dag van de LOB -week in één document in in OneNote. Hieronder zie je per onderdeel waar dat verslagje aan moet voldoen. Zorg er vooral ook voor dat je foto's van al je activiteiten in je verslag zet.

Stage

Het verslag is minstens 250 woorden lang en bestaat in ieder geval uit de volgende onderdelen:

  1. Foto’s of bewegende beelden van jou en je ‘collega's' in actie.

  2. Wat doet het bedrijf?

  3. Wat doet je stagebegeleider?

  4. Wat heb jij zelf op je stagedag(en) gedaan of beleefd?

  5. Welke studie zou eventueel leiden naar deze baan of beroepsgroep?

  6. Welke conclusie trek je uit je stage (voorlopig) wat betreft je studiekeuze?

Excursie
Het verslag is minstens 250 woorden lang en bestaat in ieder geval uit de volgende onderdelen:

  1. In welke stad ben je geweest en waarom juist daar?

  2. Welke studie(s) lijken je in die stad interessant en waarom?

  3. Wat heb je in de stad allemaal gezien en beleefd?

  4. Zie je jezelf in deze stad studeren? Waarom wel/niet?

  5. Wat zou je nog meer over deze stad of universiteit willen weten?

  6. Voeg ook foto's toe van je bezoek aan de stad.

Andere activiteiten
Ook voor andere activiteiten schrijf je een verslagje van zo'n 250 woorden. Voor een maatschappelijke stage kun je kijken bij het stageverslag hierboven (met uitzondering van punt 5 en 6). Voor andere dingen gelden in ieder geval de volgende eisen:

  1. Foto’s of bewegende beelden van wat je hebt gedaan.

  2. Wat heb je gedaan en waar?

  3. Wie heb je daar gesproken?

  4. Welke studie heeft te maken met je activiteit?

  5. Kun je uit de activiteit iets concluderen over je studiekeuze?